Ten noorden van het meer
Barh el Gazel ligt in het westen van Centraal-Tsjaad, ten noordoosten van het Tsjaadmeer. De provincie grenst in het westen aan Kanem, waarvan ze in 2008 werd afgesplitst, in het noorden aan Borkou, in het oosten aan Batha en in het zuiden aan Hadjer-Lamis. Het gebied beslaat ruwweg 50.000 vierkante kilometer. De naam verwijst naar de Bahr el Ghazal, de brede laagte die vanaf het meer honderden kilometers noordoostwaarts loopt richting de Bodélé-depressie.
Drie departementen, één weg
De provincie is verdeeld in drie departementen:
| Departement | Hoofdplaats | Ligging |
|---|---|---|
| Barh el Gazel Sud | Moussoro | zuiden, aan de weg naar de hoofdstad |
| Barh el Gazel Nord | Salal | noorden, richting de woestijn |
| Barh el Gazel Ouest | Chaddra | westen, tegen Kanem aan |
Moussoro is met enkele tienduizenden inwoners de enige plaats van formaat. De stad ligt aan de verharde route die N’Djamena met het noorden verbindt en herbergt een grote militaire opleidingsbasis; wie naar Faya-Largeau rijdt, passeert hier.
Duinen, wadi’s en stof
Het landschap bestaat uit langgerekte zandduinen met daartussen laagten waar het grondwater dicht onder het oppervlak zit. In die laagten staan dadelpalmen en groentetuinen; op de duinen groeit alleen droogteresistent gras dat na de regen kort opschiet. Er valt gemiddeld 150 tot 350 millimeter regen per jaar, uitsluitend in juli en augustus, en van noord naar zuid neemt die hoeveelheid snel toe. Van november tot maart waait de harmattan, een droge noordoostenwind die fijn stof meevoert. Barh el Gazel hoort daarmee onmiskenbaar tot de Sahelgordel, met de Sahara als directe buur.
Kreda, Kanembu en Arabische herders
De bevolking wordt geschat op circa 400.000 mensen; bij de telling van 2009 waren het er ongeveer 260.000, en de cijfers daarna zijn projecties. De grootste groep vormen de Kreda, een tak van de Daza die tot de Toubou-familie behoren en van oudsher kamelen en runderen houden. Daarnaast wonen er Kanembu, die vaker akkerbouwer zijn, en Arabisch sprekende veehouders. Vrijwel iedereen is moslim en een aanzienlijk deel van de bevolking leeft nog geheel of gedeeltelijk nomadisch: in het regenseizoen trekken de kuddes noordwaarts, in het droge seizoen zuidwaarts naar het water. Zie ook de etnische groepen van Tsjaad.
Vee, dadels en een kwetsbaar bestaan
De economie is er vrijwel geheel een van vee: kamelen, runderen, schapen en geiten, die via de markten van Moussoro hun weg vinden naar de hoofdstad en naar Nigeria — zie veeteelt. In de wadi’s worden dadels, uien en peulvruchten geteeld, en waar zoutkorsten aan de oppervlakte komen wordt natron gewonnen, dat als veevoeder en voedingszout wordt verhandeld. De provincie is gevoelig voor droogte: valt de regen tegen, dan sterft vee en zoeken families elders bestaan. Naar het westen ligt Kanem, hartland van het rijk Kanem-Bornu, en zuidwestelijk begint bij Bol de provincie Lac aan het gekrompen meer.
Stof tot in Zuid-Amerika: de bedding van de Bahr el Ghazal loopt uit op de Bodélé-depressie, de bodem van een verdwenen binnenzee. Die depressie geldt als de grootste stofbron ter wereld: de wind blaast er jaarlijks miljoenen tonnen mineraalrijk sediment de lucht in, waarvan een deel neerdaalt boven het Amazonegebied en de bodem daar bemest.