TsjaadNaslagwerk over Tsjaad

Steden — hoofdplaats van Kanem tussen de duinenKanem · kerngebied van het rijk Kanem-Bornu

Mao: zandstad in het hart van Kanem

Mao is de hoofdplaats van Kanem, de streek waar meer dan duizend jaar geleden het rijk Kanem-Bornu ontstond, en ligt tussen duinen en dieper gelegen palmtuinen.

Duinen en ouadi’s

Mao ligt ten noordoosten van het Tsjaadmeer, in een landschap van langgerekte zandduinen met daartussen laagtes die in de streek ouadi’s heten. In die laagtes staat het grondwater dicht onder het oppervlak, waardoor er dadelpalmen, moestuinen en kleine, sterk zoutige plassen liggen. De stad is de hoofdplaats van de provincie Kanem en ligt in de droge Sahel, met ongeveer 200 tot 350 millimeter regen per jaar, vrijwel alles in juli en augustus. Het is een stad van zand: de straten zijn zandpaden, de huizen zijn van leem en zongedroogde steen, en de duinen komen tot aan de bebouwing. De omgeving geldt als een van de meest door verwoestijning bedreigde delen van het land, waar de Sahel in de woestijn overgaat.

Inwonertal en bevolking

Mao is klein gebleven. De volkstelling van 2009 kwam op ongeveer twintigduizend inwoners; recentere projecties komen uit op circa 25.000 tot 40.000, maar harde cijfers ontbreken. De bevolking bestaat vooral uit Kanembu, de nakomelingen van de bevolking van het oude rijk, met daarnaast Daza-Toubou uit het noorden, Arabischsprekende veehouders en Boudouma van de eilanden in het meer. De islam is er diep geworteld en gaat ver terug; Kanem was een van de eerste gebieden ten zuiden van de Sahara waar de heersers zich tot de islam bekeerden. Zie ook de volken van Tsjaad en religie in Tsjaad.

De erfenis van Kanem-Bornu

Rond de negende eeuw ontstond in deze streek de staat die zou uitgroeien tot een van de langstlevende rijken van Afrika. De heersers uit de Sayfawa-dynastie bekeerden zich in de elfde eeuw tot de islam en beheersten de karavaanroutes naar Noord-Afrika, waarlangs zout, paarden en slaven werden verhandeld. Onder druk van rivalen verplaatste het machtscentrum zich in de veertiende eeuw naar Bornu, ten westen van het meer, waarna de dynastie nog eeuwen doorregeerde; het hele verhaal staat bij het rijk Kanem-Bornu. Van de oude hoofdstad Njimi is de precieze ligging niet met zekerheid vastgesteld. In Mao zetelt tot vandaag de alifa, de traditionele vorst van Kanem, wiens titel rechtstreeks uit die tijd stamt en die naast het moderne provinciebestuur gezag houdt in geschillen over grond en gewoonterecht.

Dadels, natron en tuinbouw

De economie van Mao draait om wat de ouadi’s opleveren. Dadels zijn het bekendste product, verder groeien er in de laagtes maïs, tarwe, uien en peper op kleine, met de hand begoten percelen. Uit de zoutige plassen wordt natron gewonnen, dat als veevoeradditief en in de keuken wordt gebruikt en dat al eeuwenlang naar het zuiden wordt verhandeld. Buiten de laagtes is vee de hoofdzaak: geiten, schapen, runderen en in het noorden kamelen, met markten die op de handel richting Nigeria zijn gericht en die worden beschreven bij veeteelt in Tsjaad. Kanem is een van de armste provincies en kampt met chronisch hoge ondervoedingscijfers, waardoor er permanent hulporganisaties actief zijn.

Dihé: uit de zoutige plassen tussen de duinen van Kanem oogsten vrouwen al generaties lang spirulina, een blauwgroene alg. Ze scheppen de drab van het wateroppervlak, drogen die in de zon tot harde koeken en verkopen die op de markt; in de keuken gaat het als donkergroene saus over de gierstepap. Dezelfde alg wordt in Europa als voedingssupplement verkocht.

Wat er te zien is

Mao is geen toeristenbestemming, maar het is wel een van de weinige plaatsen waar de sfeer van de oude Sahelsteden bewaard is gebleven: lemen architectuur, een grote moskee, het hof van de alifa en een markt waar dadels, natronblokken en vee naast elkaar liggen. De palmtuinen even buiten de stad zijn te voet te bereiken en laten in één oogopslag zien hoe de landbouw hier werkt: schaduw van palmen, daaronder fruitbomen en op de bodem groenten. Vanuit Mao voeren pistes verder naar de oevers van het Tsjaadmeer, waar polders en visserij het beeld bepalen.

Bereikbaarheid vanaf N’Djamena

Mao ligt ruwweg 250 tot 300 kilometer van N’Djamena, afhankelijk van de route. De gebruikelijke weg loopt via Massakory; het verharde deel houdt onderweg op en daarna volgen zand- en kleipistes waarop een terreinwagen onmisbaar is. Reken op een halve tot een hele dag rijden, en op meer in het regenseizoen, wanneer laagtes onder water staan. Er rijden minibussen en vrachtwagens die passagiers meenemen; een vaste dienstregeling is er niet. Zie voor de opties vervoer in Tsjaad.

Verder lezen