Een gordel om de hoofdstad
Hadjer-Lamis beslaat ongeveer 30.000 vierkante kilometer ten noorden en oosten van N’Djamena. In het westen grenst de provincie aan Lac, in het noorden aan Kanem, in het noordoosten aan Barh el Gazel, in het oosten aan Batha en in het zuidoosten aan Chari-Baguirmi. In het zuidwesten vormt de Chari over een stuk de grens met Kameroen. De naam betekent zoveel als ‘de rots van Lamis’: hadjer is Arabisch voor steen, en verwijst naar een markante rotsformatie in het gebied — opvallend in een landschap dat verder vrijwel volledig vlak is.
Massakory, Massaguet en Mani
De provincie is opgedeeld in drie departementen, elk met een eigen hoofdplaats:
| Departement | Hoofdplaats | Ligging |
|---|---|---|
| Dagana | Massakory | noorden, aan de weg naar het Tsjaadmeer en Kanem |
| Dababa | Massaguet | oosten, aan de hoofdweg richting Ati en Abéché |
| Haraze Al Biar | Mani | zuidwesten, langs de Chari |
Massakory is de provinciehoofdplaats: een marktstadje van enkele tienduizenden inwoners (schatting) waar de wegen naar het noorden en westen samenkomen. Massaguet, op ongeveer tachtig kilometer van de hoofdstad, is voor veel reizigers de eerste halte op de route naar het oosten en heeft een drukke veemarkt.
Klei, zand en een korte regentijd
Hadjer-Lamis ligt volledig in het vlakke bekken van het Tsjaadmeer, op een hoogte van ongeveer 290 tot 320 meter. Het landschap wisselt tussen zandruggen — oude, vastgelegde duinen uit een drogere periode — en zware kleivlakten die na de regens water vasthouden. Het regenseizoen loopt van juni tot september en levert doorgaans 300 tot 500 millimeter, aflopend van zuid naar noord. In het noordwesten nadert het landschap de oevers van het Tsjaadmeer, waarvan de krimp ook hier merkbaar is: waar vroeger water stond, ligt nu weiland of akker.
Bevolking
Bij de volkstelling van 2009 telde Hadjer-Lamis ruim een half miljoen inwoners; projecties komen nu op circa 800.000 uit (schatting), waarmee de provincie tot de dichter bevolkte van Centraal-Tsjaad hoort. Arabischsprekende groepen vormen het grootste deel van de bevolking, met daarnaast Kanembu in het noorden, Kotoko langs de Chari en Fulani-veehouders. De nabijheid van de hoofdstad zorgt voor voortdurende beweging: veel jonge mensen werken een deel van het jaar in N’Djamena en keren voor de oogst terug. Zie ook het overzicht van etnische groepen.
De moestuin en veemarkt van N’Djamena
Economisch draait Hadjer-Lamis om de hoofdstad. Boeren verbouwen gierst en sorghum voor eigen gebruik, maar de tuinbouw langs de wadi’s en op de oevers van de Chari — uien, tomaten, sla, wortelen en meloen — is op de stadsmarkten gericht en levert contant geld op. Zie het bredere overzicht van de landbouw in Tsjaad. Daarnaast is de provincie een schakel in de veehandel: kudden uit het noorden worden hier verzameld en doorverkocht, deels voor uitvoer naar Nigeria en Kameroen, zoals beschreven bij veeteelt. Door de provincie loopt ook de doorvoer van natron uit Kanem. De verharde wegen naar de hoofdstad zijn de laatste jaren verbeterd, wat de afzet van verse producten aanzienlijk vergemakkelijkt.
Landbouw zonder regen: op de kleivlakten van Hadjer-Lamis planten boeren in oktober en november sorghumzaailingen over in de gebarsten bodem. Het gewas groeit daarna uitsluitend op het vocht dat in de klei is opgeslagen en wordt in februari geoogst — midden in een periode waarin er geen druppel valt.