Een veestapel van formaat
Officiële schattingen komen uit op ruim honderd miljoen stuks vee, pluimvee meegerekend; runderen, schapen en geiten vormen daarvan het grootste deel, aangevuld met dromedarissen, ezels en paarden. Daarmee heeft Tsjaad een van de grootste veestapels van Afrika. Vee is er niet alleen voedsel maar ook spaarrekening, verzekering en bruidsschat: een gezin dat geld nodig heeft voor een operatie of een begrafenis verkoopt een rund. Na de aardolie is levend vee het belangrijkste exportproduct, en anders dan bij de olie komt die opbrengst direct bij gewone huishoudens terecht.
Het jaar in beweging
De meeste kudden zijn mobiel. In het regenseizoen trekken herders noordwaarts, waar de Sahel en de zuidrand van de woestijn dan verse weide en tijdelijke poelen bieden en de knijtenplaag van het zuiden ontbreekt. Zodra het droog wordt, keren ze zuidwaarts terug naar de waterrijke vlaktes van de Chari en de Logone. Die jaarlijkse trek, transhumance, volgt vaste corridors die op papier zijn vastgelegd en met datums gekoppeld aan de oogst: herders mogen pas het akkerland in als de boeren binnen zijn. In de praktijk lopen die afspraken steeds vaker mis, en de botsingen tussen herders en akkerbouwers in het zuiden zijn een van de hardnekkigste bronnen van geweld in het land; zie landbouw en etnische groepen.
Rassen en streken
Welk dier waar loopt, verraadt het landschap. In Kanem, Borkou en Batha domineert de dromedaris, die weken zonder drinken kan en zowel melk als transport levert. In de Sahel en het zuiden staat de zebu met zijn schofthobbel, in verschillende slagen naar streek en volk. En rond het Tsjaadmeer houdt men het Kouri-rund, een ras dat je nergens anders vindt. Kleine herkauwers — geiten en schapen — zijn overal en zijn vaak het eerste bezit van vrouwen en jongeren.
De weg naar de markt
Tsjadisch vee loopt in veel gevallen letterlijk naar zijn afzetmarkt. Handelaren kopen dieren op de weekmarkten van de Sahel op en drijven ze in kudden naar het zuiden, richting Nigeria, Kameroen en de Centraal-Afrikaanse Republiek; steeds vaker gaat het laatste stuk per vrachtwagen. Uit het noorden vertrekken kamelen richting Libië en Egypte. Een deel van het vlees wordt in N’Djamena geslacht in het abattoir van Farcha. Omdat een groot deel van deze uitvoer informeel de grens over gaat, staat lang niet alles in de statistieken; grenssluitingen, zoals die van Nigeria in 2019, laten dan ook meteen zien hoe groot die handel werkelijk is doordat de prijzen op de Tsjadische markten kelderen. Zie handel en export.
Druk op weide en water
Het systeem loopt tegen grenzen aan. Het meer is sinds de jaren zestig sterk gekrompen, akkerbouw rukt op in traditionele doortrekgebieden en langdurige droogtes doden in slechte jaren hele kudden. Diergezondheidszorg is dun gezaaid: vaccinatiecampagnes tegen runderpest, miltvuur en longontsteking bereiken lang niet elke kudde, en een uitbraak kan het bezit van een familie in weken wegvagen. Investeringen in waterpunten, veemarkten en koelketens zouden meer opleveren dan hun kosten, maar botsen op de gebrekkige infrastructuur.
Runderen die zwemmen: het Kouri-rund van de eilanden in het Tsjaadmeer heeft enorme, bolvormige hoorns die zo licht zijn dat ze het dier helpen drijven. De kudden zwemmen van eiland naar eiland en grazen op waterplanten — een ras dat buiten het merengebied nauwelijks voorkomt en dat door het krimpen van het meer als bedreigd geldt.