TsjaadNaslagwerk over Tsjaad

Geschiedenis — het rijk rond het Tsjaadmeer, ca. 700–1900Sayfawa-dynastie · ruim zeven eeuwen aan de macht

Kanem-Bornu: duizend jaar macht rond het Tsjaadmeer

Van een nomadenbond ten noordoosten van het Tsjaadmeer groeide vanaf de achtste eeuw een handelsrijk dat de karavaanwegen door de Sahara beheerste — en dat pas in 1900 door Franse troepen definitief werd opgeruimd.

Van nomadenbond tot koninkrijk Kanem

Rond het jaar 700 tekende zich ten noordoosten van het Tsjaadmeer een verbond van nomadische groepen af dat in vroege Arabische bronnen als Zaghawa wordt aangeduid. Daaruit ontstond het koninkrijk Kanem, met als kerngebied de streek die vandaag de provincie Kanem heet. Middeleeuwse geografen noemen een hoofdstad Njimi; archeologen zijn het over de precieze ligging nog altijd niet eens. Het rijk leefde van vee, van de controle over waterputten en weidegronden, en vooral van de doorgaande routes naar het noorden.

De Sayfawa-dynastie en de komst van de islam

Vanaf de elfde eeuw regeerde de Sayfawa-dynastie, die het tot 1846 zou volhouden. Vorst (mai) Hummay, die omstreeks 1075 aan de macht kwam, geldt als de eerste moslimheerser van Kanem. De islam bleef eeuwenlang vooral een zaak van het hof, de schriftgeleerden en de handelaren voordat hij zich onder de plattelandsbevolking verspreidde; die trage islamisering vanuit het noordoosten verklaart mede de huidige religieuze verdeling van Tsjaad. Onder mai Dunama Dabbalemi (circa 1210–1248) bereikte Kanem zijn grootste omvang. Hij liet in Caïro een herberg met school bouwen voor pelgrims uit zijn rijk en stuurde als diplomatiek geschenk een giraffe naar de heerser van Tunis, waar het dier grote indruk maakte.

Karavanen, zout, paarden en slaven

De rijkdom van Kanem kwam uit de trans-Saharahandel. Noordwaarts vertrokken karavanen met ivoor, struisvogelveren, natron uit de meerbekkens en vooral slaven, buitgemaakt bij strooptochten in de gebieden ten zuiden van het rijk. Terug kwamen zout, koper, textiel, paarden en vanaf de zestiende eeuw vuurwapens. Die paarden waren beslissend: gepantserde ruiterij gaf het rijk een militair overwicht dat eeuwenlang standhield. De routes liepen langs oasen en putten in wat nu Borkou en Ennedi is, en verbonden het meergebied met Fezzan en Tripoli. Nog in de negentiende eeuw dreef het oostelijke sultanaat Ouaddaï via de oase Koefra een levendige handel met Benghazi.

De verhuizing naar Bornu

In de veertiende eeuw verloor de dynastie de machtsstrijd met de Bulala en week het hof uit naar het gebied ten westen en zuiden van het meer: Bornu, in het huidige noordoosten van Nigeria. Omstreeks 1470 stichtte mai Ali Gaji daar de nieuwe hoofdstad Ngazargamu. Onder mai Idris Alooma (circa 1571–1603) beleefde het inmiddels Kanem-Bornu genoemde rijk zijn tweede hoogtepunt: hij onderhield betrekkingen met het Ottomaanse Rijk, huurde Turkse musketiers in, zette vuurwapens systematisch in en liet de rechtspraak volgens islamitisch recht organiseren. Zijn veldtochten zijn beschreven door hofkroniekschrijver Ahmad ibn Furtu — een van de zeldzame geschreven bronnen van binnenuit.

Baguirmi, Ouaddaï en het einde

Kanem-Bornu was niet het enige rijk in de regio. Ten zuidoosten van het meer ontstond in de zestiende eeuw het sultanaat Baguirmi met hoofdstad Massenya; in het oosten kwam in de zeventiende eeuw het sultanaat Ouaddaï op, eerst vanuit Ouara en later vanuit Abéché. Beide waren afwisselend schatplichtig aan Bornu en met Bornu in oorlog. In 1808 plunderden de Fulani-strijders van Usman dan Fodio Ngazargamu; de geleerde en veldheer Muhammad al-Amin al-Kanemi redde het rijk, maar zijn nakomelingen namen de macht over en in 1846 kwam een einde aan de Sayfawa-dynastie. In 1893 veroverde de krijgsheer Rabih az-Zubayr Bornu. Franse troepen versloegen en doodden hem op 22 april 1900 bij Kousséri, tegenover de plek waar kort daarna N’Djamena werd gesticht; daarmee begon de koloniale tijd.

Bijna acht eeuwen aan de macht: tussen circa 1075 en 1846 leverde de Sayfawa-familie onafgebroken de vorsten van Kanem en later Bornu. Geen enkel Europees vorstenhuis heeft zo lang aaneengesloten geregeerd.

Wat er vandaag nog van te zien is

De rijken zijn verdwenen, hun structuren niet. Tsjaad kent nog altijd erkende traditionele vorsten: in Mao zetelt de alifa van Kanem, in Abéché de sultan van Ouaddaï, in Massenya de mbang van Baguirmi. Zij hebben geen wetgevende macht meer, maar bemiddelen bij geschillen over land en vee. Van de oude hoofdstad Ouara resteren ruwe muurresten in de heuvels ten noorden van Abéché. De provincienamen Kanem, Lac en Ouaddaï verwijzen rechtstreeks naar de rijken, en de Kanembu en Kanuri behoren nog steeds tot de grotere etnische groepen rond het meer. Het duidelijkste erfgoed is immaterieel: de islam, die via deze hofcultuur het land binnenkwam, is vandaag de godsdienst van ruim de helft van de Tsjadiërs.

Verder lezen