TsjaadNaslagwerk over Tsjaad

Steden — hoofdplaats van Guéra in de bergenAan de voet van het Guéra-massief · ruim 500 km van N’Djamena

Mongo: stad aan de voet van het Guéra-massief

Mongo is de hoofdplaats van de provincie Guéra en een halte op de route van de hoofdstad naar het oosten, ingeklemd tussen granieten bergen midden in de Sahel.

Tussen de rotsen van het Guéra

Mongo ligt in het geografische hart van Tsjaad, aan de voet van het Guéra-massief: een groep steile granieten bergen die abrupt uit de sahelvlakte oprijzen. De hoogste toppen in de omgeving reiken tot ruim 1.500 meter, honderden meters boven het omringende land. De stad is de hoofdplaats van de provincie Guéra en ligt op de overgang tussen de drogere noordelijke Sahel en de nattere savanne van het zuiden; de neerslag valt vrijwel volledig tussen juni en september. Tussen de rotsen blijft water langer hangen dan in de vlakte, waardoor er in kleine dalen tuinbouw mogelijk is; over die klimaatgordel gaat de pagina over de Sahel in Tsjaad.

Inwonertal en bevolking

Betrouwbare cijfers ontbreken. De volkstelling van 2009 is de laatste in zijn soort; sindsdien zijn er alleen projecties, en die komen voor Mongo doorgaans uit op circa 30.000 tot 50.000 inwoners. De stad groeit doordat mensen uit de bergdorpen naar de hoofdplaats trekken voor school, gezondheidszorg en werk. De bevolking bestaat grotendeels uit Hadjarai, een verzamelnaam voor een tiental verwante volken zoals de Kenga, Dangaléat, Bidiyo en Sokoro; daarnaast wonen er Arabischsprekende veehouders en Fulbe. De naam Hadjarai komt van het Arabische woord voor rots: het zijn letterlijk de mensen van de bergen. Zie ook de volken van Tsjaad.

Toevluchtsoord, sultanaat en bestuurspost

De bergen rond Mongo waren eeuwenlang een toevluchtsoord. Vanuit de sultanaten Baguirmi en Wadai werden strooptochten ondernomen om gevangenen te maken, en de bevolking van de vlakte trok zich terug op de rotsen, die makkelijk te verdedigen waren; die geschiedenis hangt samen met de opkomst van de staten rond het meer, beschreven bij Kanem-Bornu. In de negentiende eeuw bestond in de streek het sultanaat van de Kenga. Onder Frans bestuur werd Mongo bestuurspost en later prefectuurhoofdstad. In de jaren tachtig kwam de streek opnieuw in het nieuws: onder Hissène Habré richtte de repressie zich vanaf 1987 nadrukkelijk tegen de Hadjarai, van wie de leiders eerst bondgenoten van het regime waren geweest.

Markt, gierst en gomarabicum

Mongo leeft van de landbouw en de handel. Op de velden rond de stad groeien gierst, sorghum, aardnoten en sesam; in de wadi’s worden in het droge seizoen groenten geteeld. De acaciabossen van Guéra leveren gomarabicum, een hars die wordt ingezameld en via tussenhandelaren naar de wereldmarkt gaat en waarmee Tsjaad tot de grootste producenten ter wereld hoort. Vee is de tweede pijler: Mongo ligt op een van de corridors waarlangs kuddes tussen noord en zuid trekken, met alle spanningen tussen herders en boeren van dien, zoals beschreven bij veeteelt in Tsjaad. De wekelijkse markt trekt kopers uit een wijde omtrek.

Margaï: op verschillende toppen en in grotten rond Mongo liggen heiligdommen van beschermgeesten, de margaï. Aan het begin van het regenseizoen worden er offers gebracht voor regen en een goede oogst. Veel Hadjarai zijn moslim of christen en bezoeken de margaï-plaatsen desondanks; de riten en het wereldgeloof bestaan naast elkaar, zoals vaker in de religieuze praktijk van Tsjaad.

Wat er te zien is

De grootste bezienswaardigheid is het landschap. Vanuit de stad zijn wandelingen naar de omliggende inselbergen mogelijk, met uitzicht over de vlakte en onderweg dorpen die tegen de rotsen aan gebouwd zijn, met graanschuren van leem op de hellingen. In de bergen liggen rotsschilderingen en oude schuilplaatsen. De markt, de lemen moskee en de ambachtslieden die kalebassen en aardewerk maken geven een beeld van het dagelijks leven. Wie doorreist naar het oosten passeert Ati of gaat rechtstreeks richting Abéché.

Bereikbaarheid vanaf N’Djamena

Mongo ligt ruim 500 kilometer ten oosten van N’Djamena, via Bokoro. Een groot deel van de route is verhard, maar de laatste stukken en de zijwegen naar de bergdorpen zijn zand- en steenpistes waarvoor een terreinwagen nodig is. Bussen doen de rit in ongeveer een dag; in het regenseizoen kunnen wadi’s de weg uren of dagen blokkeren. Praktische informatie over bussen, terreinwagens en de staat van de wegen staat bij vervoer in Tsjaad.

Verder lezen