Sarh, derde stad aan de rivier
Sarh is de hoofdplaats en na N’Djamena en Moundou de derde stad van Tsjaad, met naar schatting ruim 100.000 inwoners (projectie op basis van de telling van 2009). De stad ligt aan de Chari, die hier al een brede, bevaarbare rivier is. Sarh groeide in de koloniale periode uit tot bestuurs- en katoencentrum en bleef dat na 1960; de brede lanen en de oude ambtswoningen verraden die geschiedenis nog altijd.
Fort-Archambault: tot 1972 heette Sarh Fort-Archambault, naar een Franse officier. President Tombalbaye liet in het kader van zijn campagne voor culturele ‘authenticiteit’ plaatsnamen africaniseren; een jaar later werd Fort-Lamy omgedoopt tot N’Djamena. Op oude kaarten en in reisverslagen van vóór 1972 zoek je Sarh dus tevergeefs.
Ligging: savanne tussen Guéra en de zuidgrens
Moyen-Chari beslaat de zuidoostelijke savannegordel van Tsjaad. In het westen grenst de provincie aan Mandoul, in het noorden aan Guéra, in het noordoosten aan Salamat en in het zuiden aan de Centraal-Afrikaanse Republiek. De provincie is verdeeld in de departementen Barh Kôh met Sarh, Grande Sido met Maro aan de zuidgrens, en Lac Iro met Kyabé in het oosten. Bij de volkstelling van 2009 telde Moyen-Chari ruim 600.000 inwoners; projecties komen nu rond de 900.000 uit — een schatting, want sinds 2009 is er geen telling meer geweest.
Het klimaat is Soedanees: 800 tot 1.000 millimeter regen tussen mei en oktober, gevolgd door een lang droog seizoen. In het oosten ligt het Iro-meer, een permanent natuurlijk meer dat in een land van seizoenswateren opvalt en dat vis levert voor de hele omtrek.
Nationaal park Manda
Even ten noorden van Sarh, in de bocht van de Chari, ligt nationaal park Manda. Het werd in de jaren zestig ingesteld en beslaat ruim duizend vierkante kilometer boomsavanne en galerijbos langs de rivier. Manda is klein en veel minder bekend dan Zakouma verderop in het zuidoosten, en de wildstand heeft in de conflictjaren zwaar geleden. Toch komen er nog altijd antilopen, waterbokken, buffels en veel vogels voor, en de ligging pal naast een grote stad maakt het park in principe eenvoudig te bezoeken. Wie dat overweegt, kijkt eerst naar de actuele situatie zoals beschreven bij veiligheid in Tsjaad.
Sara Madjingaye, Sara Kaba en herders uit het noorden
De bevolking bestaat vooral uit Sara-groepen: de Sara Madjingaye rond Sarh, de Sara Kaba rond Kyabé, en in het noorden en oosten kleinere groepen als de Boua en de Goula, naast arabischsprekende veehouders die met hun kuddes seizoensgewijs door de provincie trekken. Die combinatie van akkerbouwers en rondtrekkende herders leidt regelmatig tot conflicten over gewasschade en waterpunten, een terugkerend thema in de Tsjadische veeteelt. De etnische samenstelling van de provincie staat in breder verband beschreven bij de etnische groepen van Tsjaad.
Katoen, suiker en vis
Moyen-Chari is landbouwland. Katoen is het klassieke handelsgewas, met een egreneerfabriek in Sarh; daarnaast telen boeren sorghum, gierst, maïs, rijst, aardnoten en sesam. Bijzonder is de suikerrietteelt: bij Banda, niet ver van Sarh, staat de suikerfabriek van Tsjaad, met eigen plantages en irrigatie. Het is een van de weinige grote industriële werkgevers buiten de olie- en hoofdstadsector, en de suiker die er wordt geperst vult een groot deel van de binnenlandse vraag. Verder leveren de Chari en het Iro-meer vis, die gerookt naar de markten in het noorden gaat; de bredere context staat bij landbouw in Tsjaad.
De buren van Moyen-Chari zijn Mandoul in het westen, Guéra in het noorden en Salamat in het noordoosten.