Koumra en de drie departementen
De hoofdplaats Koumra ligt aan de doorgaande weg tussen Moundou en Sarh en telt naar schatting enkele tienduizenden inwoners (projectie op basis van de telling van 2009). Het is een marktstad zonder grote industrie: een katoenopkooppunt, een busstation, een ziekenhuis en scholen voor de wijde omtrek. De provincie is verdeeld in drie departementen, met naast Koumra de plaatsen Bédjondo in het oosten en Moïssala in het zuiden, dicht bij de grens met de Centraal-Afrikaanse Republiek.
Een provincie van deze eeuw: Mandoul bestaat pas sinds de bestuurlijke hervorming van 2002, toen de oude prefectuur Moyen-Chari werd opgesplitst. Wie een atlas van vóór die tijd openslaat, vindt de naam Mandoul alleen terug als rivier.
Waar het ligt
Mandoul beslaat ongeveer 17.000 vierkante kilometer tussen de Logone- en de Charivlakte. In het westen ligt Logone Oriental, in het noorden Tandjilé, in het oosten Moyen-Chari en in het zuiden de landsgrens met de Centraal-Afrikaanse Republiek. De rivier de Mandoul stroomt van zuid naar noord door de provincie en voedt onderweg een uitgestrekt moerasgebied dat in het regenseizoen onder water staat en in het droge seizoen tot poelen inkrimpt. Dat moeras is belangrijk voor visserij en voor het vee dat er in de droogte komt drinken.
Regen als kalender
Het klimaat is Soedanees: circa 900 tot 1.100 millimeter neerslag, geconcentreerd tussen mei en oktober. Daarna volgt een half jaar zonder regen, waarin de harmattan stof aanvoert en de temperaturen in maart en april tegen de veertig graden lopen. De vegetatie is boomsavanne met karité, néré en tamarinde; langs de rivieren staan galerijbossen. De agrarische kalender volgt de regen strak: ploegen bij de eerste buien, wieden in juli en augustus, oogsten van oktober tot januari.
Sara-dorpen
Mandoul ligt in het hart van het Sara-gebied. De grootste groepen zijn de Sara Madjingaye en de Goulaye, met daarnaast kleinere gemeenschappen zoals de Day in de heuvels rond Bouna. Het is overwegend christelijk en animistisch land, met dorpen die dichter op elkaar liggen dan waar ook in Tsjaad buiten de hoofdstad; de bevolkingsspreiding komt terug in de demografie van Tsjaad. Van oudsher speelt de yondo, een initiatieperiode voor jongens in het bos, een centrale rol in het sociale leven — een van de tradities die in de jaren zeventig door de regering zelfs tot nationaal symbool werden verheven, met dwang en geweld als gevolg.
Wat er groeit en wat het opbrengt
De landbouw is bijna volledig kleinschalig, met akkers van een tot enkele hectaren en veel handwerk. Wat er verbouwd wordt:
- Katoen — het handelsgewas, opgekocht door de nationale katoenmaatschappij en verwerkt in de fabrieken van het zuiden.
- Gierst en sorghum — de basis van het dagelijkse eten, verwerkt tot boule.
- Aardnoten en sesam — voor olie en voor de markt; sesam gaat vaak de grens over.
- Cassave, maïs en rijst — aanvullend, rijst vooral in de laagten.
- Kariténoten — verzameld en tot boter verwerkt, meestal door vrouwen, en een van de weinige eigen geldbronnen op het platteland.
Daarnaast houden veel gezinnen kleinvee en trekossen. Runderkuddes uit het noorden trekken in het droge seizoen de provincie in, wat regelmatig botst met akkerbouwers over gewasschade — een spanning die in heel Zuid-Tsjaad speelt. Naar het westen grenst Mandoul aan Logone Oriental, naar het oosten aan Moyen-Chari met Sarh, en naar het noorden aan Tandjilé.