Van stafchef tot rebel
Idriss Déby Itno werd in 1952 geboren in het noordoosten, in een Zaghawa-herdersfamilie uit de streek rond Fada. Hij volgde een militaire opleiding, kreeg een pilotenopleiding in Frankrijk en werd onder Hissène Habré opperbevelhebber van het leger. Hij speelde een sleutelrol in de Tsjadische overwinningen op de Libische strijdkrachten in 1986 en 1987. Toen de repressie zich in 1989 tegen zijn eigen bevolkingsgroep keerde, vluchtte hij naar Soedan en richtte hij de Mouvement Patriotique du Salut op. Op 1 december 1990 trok die beweging N’Djamena binnen; Déby werd kort daarna staatshoofd.
Nationale conferentie en meerpartijenstelsel
In 1993 hield Tsjaad een soevereine nationale conferentie waarop honderden afgevaardigden de misdaden van het vorige bewind bespraken en een overgangsbestel vaststelden. In 1996 keurden de kiezers een nieuwe grondwet goed en won Déby de eerste meerpartijenverkiezing; in 2001 werd hij herkozen. Partijen, vakbonden en particuliere media kregen ruimte, maar de macht bleef geconcentreerd bij het presidentschap, het leger en een kleine kring van verwanten. In 2005 schrapte een referendum de beperking van het aantal ambtstermijnen, waardoor hij in 2006 opnieuw kandidaat kon zijn.
Olie vanaf 2003
In 2003 ging de olie uit het bekken van Doba stromen door een 1.070 kilometer lange pijpleiding naar de Kameroense kust. De Wereldbank had het project mede gefinancierd op voorwaarde dat het grootste deel van de inkomsten naar onderwijs, gezondheidszorg en armoedebestrijding zou gaan. Toen Tsjaad die wet in 2005 en 2006 versoepelde om ook defensie eruit te betalen, bevroor de bank de rekeningen; het land loste de lening in 2008 vervroegd af en was daarmee van het toezicht af. De olie-inkomsten financierden wegen, bruggen en overheidsgebouwen, maar ook wapenaankopen, en het land bleef laag scoren op vrijwel alle ontwikkelingsindicatoren.
Rebellenoffensieven
Het bewind werd meermalen bijna omvergeworpen. In april 2006 bereikten rebellen die vanuit Soedan waren opgerukt de hoofdstad, en in februari 2008 drongen colonnes door tot bij het presidentiële paleis; Franse logistieke steun en zware gevechten hielden Déby overeind. De crisis in Darfoer speelde daarin een hoofdrol: beide buurlanden steunden elkaars opstandelingen, tot ze in 2010 een akkoord sloten en een gezamenlijke grensmacht instelden. Ook de opstand van Boko Haram raakte Tsjaad: vanaf 2015 vochten Tsjadische eenheden rond het Tsjaadmeer, en in juni 2015 werd N’Djamena zelf door zelfmoordaanslagen getroffen.
Militaire macht in de Sahel en het einde
Vanaf 2013 vochten Tsjadische troepen in Noord-Mali, waar ze in het bergland van de Ifoghas zware verliezen leden. Het land werd een steunpilaar van de Franse operaties in de Sahel en leverde het hoofdkwartier van de G5 Sahel. Dat militaire gewicht verschafte Déby internationale rugdekking. In 2018 voerde hij een nieuwe grondwet in, in 2020 nam hij de titel maarschalk aan. Op 11 april 2021 werd hij voor een zesde termijn herkozen; op 20 april maakte het leger bekend dat hij was overleden aan verwondingen die hij had opgelopen bij troepen die in Kanem tegen de rebellenbeweging FACT vochten. Over de precieze toedracht bestaat nog altijd discussie.
Vervroegd afbetaald: Tsjaad loste in 2008 de resterende Wereldbanklening voor de oliepijpleiding in één keer af. Het was daarmee waarschijnlijk het eerste land dat een ontwikkelingslening terugbetaalde om onder de bestedingsvoorwaarden uit te komen.
Wat er vandaag nog van te zien is
Déby is begraven in Amdjarass in Ennedi-Est, de streek waar hij vandaan kwam en die hij liet uitbouwen met een luchthaven, een ziekenhuis en asfaltwegen. In N’Djamena getuigen de brede boulevards, viaducten en ministeriegebouwen uit de jaren 2010 van de olieperiode; veel ervan is te zien in het overzicht van de infrastructuur. Zijn partij, de MPS, is nog steeds de dominante politieke kracht, en zijn zoon Mahamat Idriss Déby leidt sinds 2021 het land, zoals beschreven in Tsjaad na 2021.