Twee groepen meren in hyperaride woestijn
De meren van Ounianga liggen in het noordoosten van Tsjaad, op de rand tussen de Ennedi-regio en Borkou, op ongeveer 400 meter hoogte. De neerslag ter plaatse bedraagt minder dan twee millimeter per jaar — in de praktijk regent het er in de meeste jaren helemaal niet. Toch staan er permanent achttien meren, verdeeld over twee groepen die ongeveer veertig kilometer uit elkaar liggen.
Ounianga Kebir is de kleinste groep in aantal maar bevat het grootste water: het meer Yoan, ruim 350 hectare groot en enkele tientallen meters diep. Yoan is hypersalien, zouter dan zeewater, en heeft een diepe blauwe kleur. Ounianga Serir bestaat uit ongeveer veertien meren die door zandruggen en duinvingers van elkaar worden gescheiden. Het grootste daarvan, Teli, is voor een aanzienlijk deel bedekt met een dichte mat van riet.
Waarom de meren niet verdampen
De verdamping in dit deel van de Sahara bedraagt orde van grootte enkele meters waterkolom per jaar. Dat de meren toch blijven bestaan, komt door aanvoer van onderaf: het Nubische zandsteen onder de regio bevat een enorme, grotendeels fossiele grondwatervoorraad die tijdens veel nattere perioden is gevuld. De laatste daarvan, de Afrikaanse vochtige periode, eindigde ruwweg vijfduizend jaar geleden; toen lag hier één groot meer, en stonden ook grote delen van de nu droge vlakten onder water — vergelijkbaar met het veel grotere paleomeer waarvan het Tsjaadmeer de restant is.
Bij Ounianga Serir werkt daarbovenop een tweede mechanisme. De rietmatten op het meer Teli bedekken het wateroppervlak en remmen de verdamping sterk af, waardoor er meer water overblijft dan er verdwijnt. Het overschot sijpelt door het poreuze zandsteen naar de lager gelegen meren, die daardoor water blijven ontvangen. Omdat elk meer bij verdamping zout achterlaat, neemt het zoutgehalte in de richting van de laatste meren toe. Het resultaat is een reeks bekkens naast elkaar met sterk verschillende chemie en kleur, van helder blauw tot groen en roodbruin, afhankelijk van zoutgehalte en algen.
Zoet naast zout: in Ounianga Serir liggen zoete en hyperzoute meren op enkele honderden meters van elkaar, gescheiden door niet meer dan een duinrug. In het ene meer wordt gevist en gedrenkt, het volgende is voor vee onbruikbaar.
Leven rond het water
Rond de zoetere meren staan dadelpalmen, doempalmen, tamarisk en riet; in de bewoonde oases wordt op kleine schaal groente en graan geteeld. In sommige meren komt vis voor, waaronder tilapia. Het permanente water trekt trekvogels aan die de woestijn oversteken. Natron en zout worden bij Ounianga Kebir al eeuwenlang gewonnen en verhandeld; het dorp Ounianga Kebir is met enkele duizenden inwoners de grootste nederzetting van de streek. De bewoners zijn overwegend Toubou en Arabischsprekende groepen.
Beschermingsstatus
UNESCO plaatste de meren in 2012 op de Werelderfgoedlijst als natuurlijk erfgoed, onder de naam Lakes of Ounianga. Het beschermde gebied beslaat ruim 62.000 hectare, met een ruime bufferzone daaromheen. Doorslaggevend voor de plaatsing was het unieke hydrologische systeem: nergens anders houdt een reeks permanente meren in een hyperaride klimaat zichzelf op deze manier in stand. Bedreigingen zijn beperkt maar reëel: toenemende onttrekking van grondwater, verstoring van de rietvelden en ongereguleerd verkeer over de duinen.
Bezoeken
Ounianga bereik je vrijwel uitsluitend met een terreinwagen en een lokale gids, meestal in een konvooi van twee voertuigen. De klassieke route loopt vanaf de oasestad Faya-Largeau in Borkou naar het oosten; veel reizigers combineren de meren met het aangrenzende Ennedi-massief en de rotstekeningen daar. Reken op meerdaagse ritten over piste en zand, met kamperen onderweg. Voor de reisperiode geldt hetzelfde als voor de rest van het noorden: zie de beste reistijd, en informeer vooraf over de veiligheidssituatie, want voor reizen in het noorden gelden vergunningen en wisselende beperkingen.