Reliëf in een land van vlakten
Mayo-Kebbi Ouest ligt in de zuidwestelijke punt van Tsjaad en meet ongeveer 12.000 vierkante kilometer. Binnen het land grenst de provincie alleen aan Mayo-Kebbi Est; de rest van de omtrek is landsgrens met Kameroen, in het westen en het zuiden. Het landschap wijkt af van het beeld dat de meeste mensen van Tsjaad hebben: geen eindeloze vlakte, maar golvend land met granietkoppen, tafelbergjes en dalen. De hoogste punten liggen enkele honderden meters boven zeeniveau, wat hier voor merkbaar koelere nachten zorgt.
Water dat de verkeerde kant op loopt
De rivier de Mayo Kebbi geeft de provincie haar naam en doet iets wat geen andere Tsjadische rivier doet: hij stroomt het land uit. Waar de Chari en alle andere rivieren in de afgesloten kom van het Tsjaadmeer eindigen, buigt de Mayo Kebbi westwaarts Kameroen in, waar hij in de Benoue uitmondt en zo via de Niger de Atlantische Oceaan bereikt. Bij hoog water kan de Logone bovendien een deel van zijn debiet over de vlakte naar de Mayo Kebbi afvoeren, zodat twee grote stroomgebieden tijdelijk met elkaar in verbinding staan — een verschijnsel dat geografen al ruim een eeuw beschrijven.
De Gauthiot-vallen: even buiten Léré stort de Mayo Kebbi over een rotsdrempel naar beneden. Opgaven over de hoogte lopen uiteen, maar het gaat om enkele tientallen meters — volgens de meeste bronnen rond de zestig. Het is een van de weinige echte watervallen van Tsjaad, en in het regenseizoen hoorbaar voordat je hem ziet.
Pala en Léré
Hoofdplaats is Pala, een stad van naar schatting enkele tienduizenden inwoners op de weg naar de Kameroense grens. Pala is bestuurscentrum en marktplaats en tegelijk de zetel van een katholiek bisdom, met een kathedraal en een netwerk van scholen en gezondheidsposten; die kerkelijke aanwezigheid is in Zuid-Tsjaad een factor van betekenis, zoals ook blijkt uit het overzicht van religie in Tsjaad. Verder westelijk ligt Léré, aan het gelijknamige meer.
De meren van Léré en Tréné zijn zoetwatermeren met een bijzondere bewoner: de West-Afrikaanse lamantijn, een zeekoeachtig zoogdier dat op waterplanten graast en internationaal als bedreigd geldt. De populatie hier is klein en moeilijk te tellen; lokale gebruiken verbieden van oudsher het doden van de dieren, wat mede verklaart waarom ze het meer nog altijd bevolken.
Moundang, Fulbe en de gong van Léré
De grootste bevolkingsgroep zijn de Moundang, met een eigen traditioneel vorstenhuis in Léré dat tot vandaag ceremonieel gezag heeft. Daarnaast wonen er Fulbe-veehouders, Ngambaye en kleinere groepen; een overzicht staat bij de etnische groepen van Tsjaad. Bij de volkstelling van 2009 kwam de provincie op bijna 570.000 inwoners; projecties komen nu op circa 800.000. Omdat de laatste telling van 2009 dateert, blijven alle recente getallen schattingen.
Goud, ijzererts en akkers
Sinds enkele jaren wordt in de streek rond Pala en Léré op grote schaal ambachtelijk naar goud gegraven. Het gaat om handmatige putten en wasplaatsen, met duizenden delvers die seizoensgewijs komen en gaan. De opbrengst verdwijnt grotendeels buiten de boeken, en de winning gaat gepaard met ongelukken, kwikgebruik en conflicten over grond. Daarnaast zijn in het gebied rond Léré al decennia ijzerertsvoorkomens bekend, die tot nu toe niet industrieel zijn ontgonnen — een van de weinige minerale reserves van Tsjaad buiten de oliesector, zoals ook in het overzicht van de Tsjadische handel en export naar voren komt.
Voor de meeste inwoners blijft de landbouw de basis: sorghum, gierst, aardnoten, katoen en rijst, aangevuld met vee en visserij in de meren. Naar het oosten sluit Mayo-Kebbi Est aan met Bongor en de Logone; daarachter beginnen Tandjilé en Logone Occidental.